Het Vindingrijk

 

(AanvangGroot Vuur)

 

Er was eens…
Er was eens een land.
Een land zonder naam.
Een land dat vlak was,
laag en leeg.

Het volk was er goed.
Het volk was er braaf,
deed niemand kwaad.
Maar het was er saai.
Alles volgens regels.
Een volk in naamloze slaap.

Op een dag werd iemand wakker.
Op een dag kreeg iemand een idee.
Op een dag sloeg iemand
met een lepel op een deksel.
Op een dag sloegen er twee met een lepel
en drie en vier en toen allemaal.
Iedereen werd wakker.

           

(Iemand begint een ritme, en iedereen volgt het voorbeeld.)

(Na een halve minuut geeft iemand het teken dat het slagwerk klaar is.)

 

De mensen wilden uit de regels.
De mensen wilden leven, voelen, hartstocht.
Ze hunkerden naar passie.

 

Maar waar vind je passie?
Groeit het bij de rozen?
Bij zacht maanlicht?
Waarvan wordt het gemaakt?
Wat is de samenstelling?
Niemand wist het.
Het moest worden ontdekt.
Het moest worden uitgevonden.
Het volk was vastbesloten.

 

Dit is het verhaal van een zoektocht naar passie.
De mensen gaven hun naamloze land
een naam die hoorde bij hun queeste:
dit is het sprookje van 
Het Vindingrijk.

Passie is voor een moment onsterfelijk zijn.
De hele tijdloze eeuwigheid gezogen in één minuscuul stukje tijd.
Alsof je terug bent bij het begin!

De big bang.
Is passie een wetenschappelijke formulering?
Vol wetmatigheden. Meetbare krachten?
Het resultaat van scheikundige processen?
Is liefde voor elkaar niets anders dan een chemische reactie?

Alchemie bedrijven.
Is zoeken naar passie niet anders dan een zoektocht naar het levenselixer?
De zoektocht naar het hemelse goud?

 

(Michel Bongertman komt op met de kar en begint.)

 

We werken met hout, kwik, zouten, arseen, zwavel en zuren.
We schuren de steen der wijzen tot stof en scheppen zilver en goud.
We smelten gevoelens en smeden ze tot hemels vuur van eeuwige passie, een licht dat alles ontbrandt.
We maken de Heilige Geest die alles inspireert.

Het is geen eenvoudig proces.
Het zal soms voelen als stilstaan.
Het zal soms voelen als lood om oud ijzer.
Als lopen in modder, als een kar getrokken door koud zand.

 

(De kar wordt getrokken naar het werk van Anthea Simmonds.)

(Tijdens de tocht wordt door het koor gezongen: ‘Veni Creator Spiritus’.)

 

Of is passie ons al ingebakken?
Net als karakter, talent, humor.
Maar verborgen.
Gevangen achter tralies van regels, in een kooi van fatsoen.

 

Als dat zo is, dan moeten we onszelf bevrijden, bevrijden van onze opvoeding, onze handen
onder de dekens als we dat willen, grijpen wie we willen, geen mens mag ons behoeden voor de liefde,
geen vader of moeder mag ons remmen.
Verbrand de kooi waarin we leven!

                       

(Anthea steekt de kooien aan.)

 

Bevrijding bleek een illusie.
De kooi werkte als bescherming.
Achter de hekken van normen en waarden
gaat een andere beveiliging schuil.

Een schild van schaamte,
die het vuur als kalk doet smoren.
Een schild van gewoonte, die de passie als water doet doven.

Een schild van vergeten,die de psyche vrijwaart voor ellende.

 

(De kar wordt getrokken naar het werk van Sonja Rosing.)

 

Is passie soms de bron van alles?
Misschien datgene wat met God bedoeld wordt.
De bouwer. En tegelijk de bouwsteen?

 

Als we zoeken naar de bron, moeten we op zoek in het allerkleinste.
Laat ons het huis neerhalen,
steen voor steen afbreken,
tot het zand, tot de moleculen
en nog verder langs atomen,
tot de minuscule quarks
en nog verder, verder, verder
tot het allerdiepste, allerkleinste,
dat onmeetbaar verborgen ligt op de bodem van het universum:
snaren, bewegende cirkeltjes energie. Zijn dat de snaren waarop God tokkelt?
De snaren die de hele schepping in beweging zetten?

 

Neem dit strand.
Neem een zandkorrel.
Stel dat één zandkorrel
zo groot is als het heelal.
Dan is een snaar nog vele malen dunner dan een haar.
Ligt in zo’n snaar de oorsprong van de passie?

 

Wij, inwoners van Vindingrijk,
vonden een machine uit
die ons de snaren zien laat,
die het microheelal van een cel
miljarden en miljarden malen vergroot,
die ons dimensies toont
die wij niet konden bedenken.

 

Als in de snaar de passie huist,
dan zullen wij haar vinden
en met geestkracht leren bespelen.

 

(Tijdens het aansteken en branden zingt het koor: ‘Sanctus’.)

(De kar wordt getrokken naar het werk van Mariël Bisschops.)

 

De zoektocht naar het kleinste op aarde,
naar een speld in een ijsberg,
bracht ons naar het inzicht
dat we zoeken naar het ene,
die ene, dat ene, terwijl juist op aarde
alles uit twee bestaat.
Elk ding heeft zijn tegending,
elke pool heeft haar tegenpool.
En het ene zoekt het andere
om één te worden in het midden,
dat is de wet van het evenwicht.

 

(De sprekers spreken afwisselend in hoge en lage stemmen.)

 

Dag                 nacht

dood                geboorte

stilstand            beweging

kwaad             goed

oorlog              vrede

vrede               oorlog

licht                  donker

wit                   zwart

plus                  min

open                dicht

eb                    vloed

hoog                laag

man                 vrouw

vrouw              man

pas                  sie

vin                   den

we                   daar

tus                   sen

bij                    het

kus                  sen

van                  twee

din                   gen

tot                    een

een                  heid

 

(Het werk van Mariël wordt aangestoken.)

(De kar wordt getrokken naar het werk van Willem Hoogeveen.)

(Tijdens de tocht wordt door alle aanwezigen op de deksels geslagen.)

 

Dus man zoekt vrouw,
vrouw zoekt man.
Ook hier in dit Vindingrijk
zoekt men het paradijs
waarin twee opgaan tot één.
Om elkaar te vinden
maken zij zichzelf sterk en mooi,
sterker en mooier dan ze eigenlijk zijn.
Mannen als jagers met ogen die richten
en vrouwen als prooien
met lippen gestift en borsten prikkend omhoog.
Zo is de wet van de eenheid, de zoektocht naar evenwicht.

 

Maar vandaag de dag zijn mannen versuft
door materie, verblind door het licht
van hun beeldscherm, door spraakverwarring de weg kwijt,
dus vrouwen moeten wel groter en roder om blijvende indruk te maken,
moeten zich vullen met kneedgum,
zichzelf bekleden met hangende borsten als Babylonische tuinen
om de man van hun droom te verleiden en het paradijs te betreden.
Zó is de wet van de communicerende tweeheid.

 

Maar hier in dit land, in dit sprookje, waarin gezocht wordt naar passie,
bleek deze weg de verkeerde. Materie werd verward met de hemel,
geestkracht geruild tegen geilheid.
Deze weg naar passie loopt dood.

 

Een vrouw, inwoner van ons Vindingrijk,
is gestorven tijdens haar zoektocht.
Haar borsten te zwaar voor dit leven.
Zij is bevrijd van zwaartekracht.
Laat ons zingend haar ziel begeleiden
op weg naar de zwevende tuinen van Eden.

 

(Tijdens het branden van het werk, wordt gezongen: ‘In Paradisum’.)

           

(In stilte wordt de kar getrokken naar het werk van Baltus Wigersma.)

 

Passie is geen kouwe kak,
maar warmte, vurig verlangen naar innerlijke hitte.
Hartstocht doet zweten, water verdampen en smelten het ijs.
Is passie vervuilend?
We hebben gezocht in het kleinste,
naar snaren van minimale grootsheid.
Laat ons nu het grote onderzoeken
om het spoor naar passie te vinden.
We aanschouwen de wereld,
haar stromende golven,
brede rivieren en blokken zout ijs.
De wereld wordt viezer maar wel warmer.
De poolkappen smelten
en het pakijs wordt water.
Traant de aarde uit hartstocht
of huilt ze om het verlies van haar schoonheid.

 

Misschien wel om beiden.
Misschien schuilt in de vervuiling
de bron van de passie,
misschien is de prijs voor geluk wel het einde.

 

Laten wij hier,
hier in dit land, dit Vindingrijk,
een ijsberg verbranden.
We drijven het ding naar de Noordpool
om de smelt te versnellen,
om een nieuwe ijstijd dichterbij te brengen.
En daarna een ongekende lente.
Wat vrijkomt is passie, of alles verloren.

 

(Het werk van Baltus wordt aangestoken.)

 (In stilte wordt de kar getrokken naar het werk van Marja Timmer.)

 

Er zat in het smelten geen schoonheid,
enkel verval en ellende.
We dreven de aarde in een neerwaarts spiraal
versneld naar het einde – wereld onvruchtbaar.
Moeder Aarde zonder toekomst.
Moeder Aarde die geen kinderen kan krijgen.
Moeder Aarde in droefheid verzonken.

 

En het was alsof de ziel van het volk
was getroffen en niets restte ons dan troost.
Een eerste vrouw knielde en een tweede, een man en een kind.
Iemand klopte als eerst met een lepel op het zand en een tweede, een derde en ieder.

 

(Iedereen bukt en slaat met lepels op het zand.)

 

Wij zijn begonnen de spiraal, met vervuiling, ontbossing,
verkrachting, poging tot doodslag, zijn wij het dan niet
die de neergang moeten keren!
Moeder Aarde werd onvruchtbaar
door een mensengevormd spiraal.
Verbrand wat slecht is.
Verbrand uit alle macht
wat slecht is en maak de aarde weer vruchtbaar.
En zwanger wordt ze van het Goede.

 

(Het werk van Marja wordt aangestoken.)

(De kar wordt getrokken naar het laatste werk, het werk van Sacha Janzee.)

 

Er was eens een land geweest
dat koud was, waar de mensen saai waren
en kaal van geest – tot hun ogen waren geopend.
Er was gezocht naar passie, naar het geheim van hartstocht.
Na vele omzwervingen, ontdekkingen en uitvindingen kwam het volk van Vindingrijk thuis.
Ze staken de passiemeter aan om te zien tot hoe hoog hun gevoel was opgelaaid.

 

(Het werk van Sacha wordt aangestoken.)

 

Het ijs was gesmolten,
het windorgeltje klonk
als een engelenstem in hun hoofd
en ze hadden het warm.

 

Het geheim van de passie
was niet ontraadseld,
maar de reis was geweldig.
En de mensen begrepen
dat ze altijd naar passie moesten zoeken,
maar dat ze het nooit mochten vinden.
Tevreden keken ze naar het vuur in elkaars ogen.
Tevreden keerden ze terug naar hun huizen om daar lang en gelukkig te leven.

 

Einde

 

Tekst: Hein Walter

( Klik op de afbeelding om deze te vergroten en door de afbeelding te navigeren )